Boekrecensie: Tussen tent en villa – het vakantiepark in Nederland 1920-nu

Bron: Nai010 booksellers
Bron: Nai010 booksellers

Inleiding
Een lijvig boek, dat mag ‘Tussen tent en villa’ van architectuurhistorica Mieke Dings wel genoemd worden. Het boek focust zich op vakantieparken in Nederland tussen 1920 en nu. Want wie denkt dat het bungalowpark pas door Sporthuis Centrum is uitgevonden komt bedrogen uit. Daarvoor wijkt het boek zelfs uit naar de periode voor 1920.

Samenvatting
Nederlanders bleken helemaal niet zo reislustig rondom 1920 en dat terwijl de leefsituatie in de stad destijds niet al te best was. Op dat moment start de Nederlandse overheid met het stimuleren van recreatie in eigen land. Dat deze rol de overheid goed ligt blijkt in het hele boek. Vanaf de jaren ’20 tot nu is recreatie een middel voor het bereiken van veel overheidsdoelen. Stadsbewoners kennis laten maken met natuur, een economische impuls aan terugvallende gebieden geven en het verdienen van geld aan fraai gelegen kuststroken. Door in verschillende periodes actief en minder actief bemoeienis uit te oefenen zijn er veel trends geweest die op de dag van vandaag nog in de parken te herkennen zijn.

Gemeenten wisten eigenlijk niet direct wat ze met een vakantiepark aan moesten. Op de Veluwe werd toch vooral gevraagd om zich naar de normen te gedragen terwijl de Zeeuwse kust een soort van Costa Brava werd. De Limburgers hadden in beginsel niets op met toeristen, maar na het sluiten van de mijnen ontwikkelde Limburg zich razendsnel tot een zeer toeristische provincie. De rol van bovenliggend beleid bepaalde of gemeenten moesten matigen of juist vol moesten inzetten op toerisme. Van eind jaren ’60 tot eind jaren ’80 ontstond langzamerhand een wedloop tussen gemeenten om een bungalowpark binnen de grenzen te krijgen.

De vorm van de parken is gedurende decennia steeds gewisseld. Het begon met tenten die vaak zelfgemaakt waren of geïmporteerd werden uit Engeland. De opkomst van eenvoudige houten huisjes leidde tot steeds luxere vakantiewoningen in de meest uiteenlopende bouwstijlen. Aanvankelijk waren er zelfs oude kippenschuren bij die in het zomerseizoen verhuurd werden. Architecten bogen zich eerst over de woningen en later ook over de parken zelf. De strandhuisjes uit de jaren ’20 kregen al snel voorzieningen in de vorm van een postkantoor en een winkel. Sporthuis Centrum trok dit door en ontwikkelde een vakantiestad die geheel zelfstandig kon functioneren. Ondertussen ontstonden ook parken die zoveel mogelijk ontdaan waren van voorzieningen en die zich focussen op natuur.

Drijfveer om parken te ontwikkelen was ‘de tweede woning’. Eerst om de gewone man een buitenhuis te kunnen bieden. Later werden woningen voor de gewone man steeds minder betaalbaar, en werden parken gebouwd om beleggers een goed rendement te kunnen laten behalen. Door de verhuur van de woningen werd het voor iedereen mogelijk een week naar een buitenhuis te gaan. Degene die in zo’n woning investeerde haalt hier een rendement uit en kan afhankelijk van de afspraken zelf ook gebruik maken van de woning. Deze ontwikkelingen hadden invloed op de prijs van de vakantiewoningen. Deze waren eerst steeds luxer geworden tot bleek dat de woningen niet meer betaalbaar waren. Daarna is een nieuwe eenvoudiger standaard ontstaan die tegenwoordig alsnog op een zeer hoog niveau staat.

De wens naar maatwerk heeft zich ook naar bungalowparken vertaald. Hoewel de vorm van de bungalows nogal eens afweek waren parken steeds eenvormiger geworden. Vendorado, de voorganger van Gran Dorado, koos juist voor parken met steeds een eigen karakter. Dit week af van uniformiteit, de boodschap die Sporthuis Centrum destijds gebruikte. Het was niet Vendorado die het initiatief voor Port Zèlande nam, maar het bedrijf stapte in de jaren ’80 wel snel in. Op de plek waar Sporthuis Centrum het park Grijsoord had bedacht maar nooit gebouwd ontstond een stadje geënt op Zuid-Frankrijk. Bijzonder detail is dat Port Zèlande zo gebouwd is dat het als gewoon dorp kan functioneren. Destijds werd er rekening mee gehouden dat de interesse in vakantieparken best nog eens af kon nemen.

Die diversiteit is tot op de dag van vandaag herkenbaar in moderne parken. Denk daarbij aan Esonstad, de diverse parken met Zaanse huisjes en Marinapark Volendam. Bijzonder genoeg wordt de branche al jaren door dezelfde mensen ingevuld. Bedrijven als Heidemij (Arcadis), Bakema & van den Broek, René Coltoff Bungalows en mensen als Matthijs Zeelenberg hebben aan de wieg van menig park gestaan. Steeds weer opererend binnen de toen geldende regels. Samenwerkend met Nillmij (Aegon, later Landal), Sporthuis Centrum, Vendorado en tientallen lokale initiatieven.

Over het boek
Dit is een zeer korte samenvatting van het 544 pagina’s tellende boek, dat in no-time uitgelezen was. Een goede inhoudelijke uitdieping van het onderwerp, tal van interessante quotes en vooral veel mooie afbeeldingen. In alles is te zien dat Mieke Dings er de tijd voor heeft genomen en meerdere rode draden door het boek gebruikt om consistent te blijven. Daardoor vallen er geen gaten en lees je ongemerkt toch weer steeds een pagina verder. De menging van beleid, opvattingen van architecten en de ontwikkelingen bij marktpartijen worden daarbij logisch beschreven. Mensen waarvoor een bungalowpark meer is dan een verblijf op vakantie doen er dan ook goed aan dit boek aan te schaffen. Het smaakt wat ons betreft naar meer!

Het boek ‘Tussen tent en villa: het vakantiepark in Nederland 1920-nu’ is via de website van Nai010 booksellers te bestellen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *